Bijlagen

1.  Ouderbijdrage in het primair onderwijs- uit de wettekst
2.  Informatie voorziening gescheiden ouders
3.  Protocol schorsen en verwijderen PCOU



Bijlage 1:  Ouderbijdrage in het primair onderwijs – uit de wettekst
 
Informatie over de relevante wet- en regelgeving over de vrijwillige ouderbijdrage en over de informatievoorziening aan ouders.
 
Inleiding
Scholen mogen via de ouderbijdrage een geldelijke bijdrage vragen aan ouders van leerlingen om extra activiteiten als excursies, sinterklaasfeest, kerstviering of een sportdag te kunnen bekostigen. Soms worden ook andere kosten in rekening gebracht zoals overblijven, schoolreisje, schoolkamp of kosten voor het schoolzwemmen. Ook deze kosten vallen onder de ouderbijdrage. In alle gevallen moeten ouders kunnen kiezen óf ze willen betalen en waarvóór zij willen betalen. Daarom wordt in de praktijk dikwijls gesproken over vrijwillige ouderbijdrage. Scholen mogen zelf de hoogte van de ouderbijdrage bepalen, zo lang zij daar
de medezeggenschapsraad bij betrekken en zo lang zij de wettelijke voorschriften naleven.
 
Wettelijke voorschriften/bepalingen over vrijwillige ouderbijdrage
De wettelijke voorschriften/bepalingen rond de vrijwillige ouderbijdrage zijn te vinden in de Wet Primair Onderwijs (WPO) en de Wet Medezeggenschap Scholen (WMS). Artikel 13 en 40 van de WPO bepalen dat de schoolgids informatie moet bevatten over de ouderbijdrage, de hoogte ervan, het vrijwillige karakter en de besteding van de middelen. Ook moet de schoolgids een ontwerp van een overeenkomst bevatten die aan de eisen van artikel 40 van de WPO voldoet. In artikel 13 onderdeel c van de WMS staat dat de oudergeleding van de medezeggenschapsraad vooraf moet instemmen met de hoogte en bestemming van de bijdrage, voordat het bevoegd gezag van de school de hoogte en de bestemming vastlegt.
 
Uitwerking
Hoewel het bovenstaande voor zich spreekt staat hieronder puntsgewijs wat de school dient te hebben geregeld:

  1. In de schoolgids moet expliciet informatie staan over de ouderbijdrage, dat wil zeggen de hoogte, de besteding van het geld en het vrijwillige karakter.
  2. Voor de ouderbijdrage moet (jaarlijks) met iedere ouder een overeenkomst worden gesloten. In de schoolgids dient een ontwerpovereenkomst te zijn opgenomen.
  3. In artikel 40 WPO zijn de eisen geformuleerd waaraan deze overeenkomst moet voldoen:
    1. Het gaat om een vrijwillige bijdrage.
    2. Na ondertekening bestaat de verplichting tot betaling.
    3. Ouders mogen kiezen voor welke activiteiten zij de overeenkomst aangaan; er dient dus een specificatie te zijn van de kosten.
    4. Er dient een reductie- en kwijtscheldingsregeling te zijn.
    5. De overeenkomst wordt telkens voor een jaar aangegaan.
  4. De oudergeleding van de medezeggenschapsraad moet instemmen met de hoogte en de besteding van de ouderbijdrage. Formeel stelt het bevoegd gezag de hoogte en besteding vast. Op basis van het directiereglement PCOU is deze taak indirect gemandateerd aan de directeur.
Bronnen:
  • Bovenstaande informatie is grotendeels ontleend aan het rapport “De vrijwillige ouderbijdrage in het primair onderwijs – april 2010” www.onderwijsinspectie/actueel/publicaties.
  • Het rapport bevat een overzicht van de wettelijke bepalingen en een voorbeeld van een overeenkomst.
  •  In een toelichting op het rapport van 8 december 2010 geeft de Inspectie nadere informatie over de omstandigheid waarin een ouderraad en/of een oudervereniging een bijdrage vragen.


Bijlage 2 : Informatievoorziening gescheiden ouders
 
PROTOCOL INFORMATIEVERSTREKKING AAN GESCHEIDEN OUDERS
( vastgesteld in vergadering CvB PCOU/Willibrord: 10-01-2011)

1. Inleiding
Na een echtscheiding kunnen de verantwoordelijkheden voor ouders rondom de opvoedingen verzorging van het kind op verschillende manieren zijn geregeld. Meestal zijn beide ouders met het ouderlijke gezag belast en zijn er afspraken gemaakt over de verdeling van de zorgtaken (omgangsregeling of co-ouderschap). Maar het kan ook zo zijn dat een van de ouders met het ouderlijke gezag belast is. Naast de wijze waarop verantwoordelijkheden
geregeld zijn, kan ook de wijze waarop het onderling contact plaatsvindt verschillen. Omdat de school in de praktijk met al de verschillende situaties te maken heeft, is dit protocol
opgesteld, met het doel om de informatievoorziening aan gescheiden ouders goed te
laten verlopen. De school heeft een zelfstandige informatieplicht tegenover beide ouders, dus ook tegenover de ouder die het kind niet verzorgt, het ouderlijk gezag niet heeft of zelfs geen omgangsregeling met zijn of haar kind heeft.

2. Uitgangspunten informatieverstrekking aan gescheiden ouders
Juridisch kader
De school heeft een zelfstandige informatieplicht tegenover beide ouders, dus ook de ouder die het kind niet verzorgt of het ouderlijk gezag niet heeft. De wet bepaalt zelfs dat de ouder die niet met het ouderlijk gezag is belast, door derden (in dit geval de school) geïnformeerd wordt over belangrijke feiten en omstandigheden van het kind (zie Burgerlijk Wetboek boek 1: artikel 377c). De school mag afwijken van de informatieplicht wanneer de rechter dat in een specifiek geval bepaalt.Het belang van het kind (de leerling)
Het belang van het kind is het beste gediend wanneer de school buiten een eventueel conflict tussen de ouders blijft en uitvoering geeft aan de wet- en regelgeving ten aanzien van informatieverstrekking aan gescheiden ouders.
Wanneer er sprake is van een situatie waarbij er tussen één van de ouders en het kind geen sprake is van contact, is informatieverstrekking van belang om te voorkomen dat ouder en kind van elkaar vervreemd zijn wanneer het contact wordt hersteld.
Ouderschapsplan
In geval van een echtscheiding behouden ouders veelal beiden het ouderlijke gezag. Zij
blijven dan ook gezamenlijk verantwoordelijk voor hun kind(eren). In november 2008 is de
"Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding" in werking getreden
waarin onder meer is opgenomen dat gescheiden ouders verplicht worden afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van hun kind(eren). Deze afspraken moeten worden
vastgelegd in een zogeheten ouderschapsplan. Ouders dienen de school van de relevante afspraken in het ouderschapsplan op de hoogte te stellen. Dat is niet alleen van belang met het oog op een zorgvuldige informatievoorziening, maar ook met het oog op de eventuele omgangsregeling en bijvoorbeeld de mogelijkheid voor de school om rekening te houden met aan wie het kind na school moet worden meegegeven
Overig                                               
Voogden hebben hetzelfde recht op informatie als ouders met gezag. Grootouders hebben daarentegen geen wettelijk recht op informatie.


Bijlage 3: Schorsen en verwijderen PCOU


Protocol schorsing en definitieve verwijdering van leerlingen PCOU
 
Inleiding
In het directiereglement van de Stichting zijn de door het College van Bestuur aan de directeur gemandateerde taken en bevoegdheden, waaronder “het schorsen en definitief verwijderen van leerlingen”, opgenomen. De directeur draagt hier dus de zorg voor de besluitvorming, maar omdat er sprake is van mandaat wordt deze bevoegdheid steeds in naam en onder verantwoordelijkheid van het College van Bestuur uitgeoefend.
In alle gevallen van schorsing en/of definitieve verwijdering wordt steeds tevoren informatief contact opgenomen met c.q. zonodig overleg gevoerd met het Bureau Christelijk Onderwijs Utrecht.
 
Verwijdering gebeurt niet van de ene dag op de andere. Afgezien van de situatie waarin de leerling figuurlijk een “halsmisdaad” begaat moet er als regel sprake zijn van een reeks van oplopende ellende. Hierbij kan met name gedacht worden aan vormen van (seksuele) intimidatie, discriminatie, agressie, geweld en pesten die door medeleerlingen en/of personeelsleden als bedreigend worden ervaren.
De school moet over een goed gedocumenteerd dossier beschikken.
 
P.M. Het betreft hier twee in principe op zichzelf staande procedures: schorsing leidt niet per definitie tot verwijdering en aan verwijdering gaat niet in alle gevallen schorsing vooraf.
 

Schorsing
Schorsing kan als ordemaatregel en als disciplinaire maatregel worden opgelegd. In het laatste geval kan het (ook) een alternatief zijn voor verwijdering.

 Achtereenvolgende stappen:
1.         De directeur kan een leerling met opgave van redenen voor een periode van ten hoogste één week schorsen. Tenzij de schorsing onverwijld noodzakelijk is wordt de leerling en worden diens ouders, voogden of verzorgers voorafgaand aan het schorsingsbesluit gehoord.
2.         De directeur bevestigt de schorsing met opgave van redenen schriftelijk aan de ouders, voogden of verzorgers van de leerling. In deze brief wordt verder opgenomen:
a.        de duur van de schorsing;
b.         een verwijzing naar de mogelijkerwijze op te lopen leerachterstand (de verant-woordelijkheid voor inperking daarvan ligt primair bij de ouders, voogden of verzorgers van de leerling; zij kunnen daarover contact met de school opnemen).
Kopieën van deze brief gaan naar de Inspectie, de leerplichtambtenaar, het College van Bestuur en het leerlingdossier.
3.         De directeur stelt de Inspectie van een schorsing voor een periode van langer dan één dag schriftelijk en met opgave van redenen in kennis.
4.         De directeur ondertekent alle brieven namens het College van Bestuur.

Definitieve verwijdering

 Achtereenvolgende stappen:
1.         Interne afweging: Expliciete belangenafweging en overleg met de betrokken groepsleraar. Rechtvaardigt het wangedrag verwijdering (ernst van het gedrag, recidive, belang van de leerling zelf) en is verwijdering noodzakelijk (zijn er geen minder vergaande oplossingen mogelijk).
2.         Externe afweging: Informeren van en overleg met de Inspectie. Dit overleg strekt er mede toe na te gaan op welke andere wijze de betrokken leerling onderwijs zal kunnen volgen. 
3.         De directeur besluit eerst tot definitieve verwijdering van een leerling nadat  de leerling en diens ouders, voogden of verzorgers in de gelegenheid zijn gesteld door hem over het voornemen tot verwijdering te worden gehoord.
4.         Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs zich bereid heeft verklaard de leerling toe te laten. Deze zoektocht wordt gedocumenteerd vastgelegd.
Indien aantoonbaar gedurende acht weken zonder succes naar een zodanige school of instelling waarnaar kan worden verwezen is gezocht, kan in afwijking van de vorige volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.
5.         De directeur stelt de Inspectie schriftelijk en met opgave van redenen in kennis van de definitieve verwijdering.
6.         De directeur maakt zijn besluit tot definitieve verwijdering schriftelijk en met opgave van redenen bekend aan de ouders, voogden of verzorgers van de leerling. Daarbij wordt steeds aangegeven dat de belanghebbende(n) binnen zes weken na de bekendmaking van het verwijderingsbesluit daartegen bezwaar kunnen maken bij het College van Bestuur.
            Kopieën van deze brief gaan naar de Inspectie, de leerplichtambtenaar, het College van Bestuur en het leerlingdossier.
7.         Het College van Bestuur beslist binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift doch niet eerder dan nadat de leerling en diens ouders, voogden of verzorgers in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord en kennis hebben kunnen nemen van de op het besluit betrekking hebbende adviezen of rapporten.
8.         De directeur kan de betreffende leerling gedurende de verwijderingsprocedure (tussen voornemen en effectuering) schorsen. Ten aanzien van deze langdurige(r) schorsing draagt de school een grotere verantwoordelijkheid om enig onderwijsaanbod te doen (minimaal: pakket voor zelfstudie thuis).
9.         De directeur ondertekent alle brieven namens het College van Bestuur.
 
 
Bronnen:
- Wet op het Primair Onderwijs (artikel 40 lid 5).
- Naar analogie: Inrichtingsbesluit WVO (artikel 13, 14 en 15).
- Directiereglement Stichting PCOU (artikel 1 sub i. en 10 sub f. en g.).
Maart 2007