De leerlingenzorg


 
6.1 Aanmelding en inschrijving


6.1.1    De plaatsing van een 4-jarig kind op school
Voor u uw kind inschrijft op onze school, kunt u zich uitgebreid laten informeren over ons onderwijs. Dat kan d.m.v. deze schoolgids, de nieuwsbrief of onze website (www.deboomgaard.nl), maar natuurlijk vooral door een bezoek aan onze school. U kunt ook een informatieavond bijwonen: op deze avond kunt u kennis maken met de locatiedirecteur van de Akkrumerraklaan. Zij geeft op deze avonden informatie over de visie van de school, de kleuterperiode, de inschrijvingsprocedure e.d.
 
U kunt ook een individuele afspraak maken voor een gesprek en een rondleiding door de school. Na uw inschrijving van uw kind krijgt u een bevestiging thuis gestuurd. Enkele maanden voor de eerste schooldag van uw kind, krijgt u een wenformulier en een vragenlijst toegestuurd. Uw kind mag namelijk, maximaal 5 dagdelen in twee weken voordat het 4 jaar wordt, komen "wennen". Met de wensen en mogelijkheden van de ouders wordt hierbij zoveel mogelijk rekening gehouden. Kinderen die in juni, juli of augustus 4 jaar worden, beginnen meteen na de zomervakantie.
Met de informatie uit de vragenlijst hopen wij inzicht te krijgen over de ontwikkeling van uw kind in de eerste jaren en eventuele bijzonderheden. Zo kunnen we uw kind optimaal  begeleiden in de eerste periode van zijn/haar basisschooltijd. Voor uw kind echt naar school gaat, ontvangt u de groepsindeling, een informatiebrief en een leuke ansichtkaart, zodat u met uw kind de nachtjes kunt aftellen! Mocht u belangstelling hebben voor onze school, dan is het raadzaam vooraf te informeren naar de mogelijkheden van plaatsing van uw kind.

6.1.2    De plaatsing van een kind van 5 jaar en ouder
Er zijn ook kinderen, die vanwege bijvoorbeeld een verhuizing, bij ons op school komen in een hogere groep dan groep 1. We benadrukken hier, dat ouders in een eerste gesprek al geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden betreffende de plaatsing van hun kind: er moet plaats zijn binnen het leerlingenaantal van de groep en de zorgbehoefte van de leerling moet passen binnen het zorgprofiel van de school.
Als de ouders na een informatief gesprek besluiten hun kind op De Boomgaard aan te melden, volgt de hieronder beschreven procedure:
- Wij nemen na aanmelding contact op met de vorige basisschool om informatie in te winnen over het kind.
- Er vindt overleg plaats tussen de intern begeleider en de locatiedirecteur. Op grond van de verkregen informatie wordt een definitief besluit genomen over plaatsing onder verantwoordelijkheid van de directie.
- De ouders vullen een inschrijfformulier in als plaatsing mogelijk is. Indien een kind geplaatst kan worden, dan wordt met de ouders een
afspraak gemaakt over de eerste schooldag op De Boomgaard.
Bij wat oudere kinderen is het voor een kind vaak prettig, om voor de eerste schooldag al eens een keer te komen kijken op school. Dit kan na overleg  georganiseerd worden.
De eerste weken zullen we uw kind gelegenheid en ruimte geven om goed te wennen aan de nieuwe omstandigheden.
De Boomgaard ontvangt van de vorige basisschool gegevens van uw kind (toetsresultaten, gebruikte methodes e.d.). Wij kunnen met deze gegevens ons onderwijs optimaal afstemmen op de behoefte en mogelijkheden van uw kind.
 
Mocht een kind niet geplaatst kunnen worden, dan krijgen de ouders daarover bericht.



6.2 Het volgen van de ontwikkeling van uw kind
In alle groepen worden leerlingen dagelijks waargenomen door de leerkracht van uw kind. Zij observeren uw kind in allerlei situaties en zij nemen toetsen af die bij de methoden horen. In groep 1-2 wordt gewerkt met het `Ontwikkeling Volgmodel` van Memelink, waarbij de ontwikkeling van kinderen in grote lijnen wordt gevolgd.

In de groepen  2 tot en met 8 worden minimaal twee keer per jaar CITO-toetsen afgenomen, om te bekijken hoe uw kind zich ontwikkelt. Wij gebruiken de volgende toetsen:
 
 
Aarnoutse: toetsen beginnende geletterdheid           (groep 1-2)
Rekenen voor kleuters                                               (groep 2)
Rekenen-wiskunde                                                    (groep 3 t/m 8)
AVI-toets voor technisch lezen                                   (groep 3 t/m 8)
Drie Minuten Toets                                                     (groep 3 t/m 8)
Woordenschat                                                           (groep 3,4,5 )
Leeswoordenschat                                                    (groep 7-8)
Begrijpend lezen                                                        (groep 3 t/m 8)
Spelling                                                                      (groep 3 t/m 8)
Entreetoets groep 7 (tussenrapportage algehele schoolvorderingen)
Eindtoets groep 8 (nodig voor verwijzing naar voortgezet onderwijs)
 
De resultaten van de CITO-toetsen worden uitgedrukt in een landelijke toetsscore en niveauscore. De niveaus lopen van niveau A tot en met E. Niveau A zijn de 25% hoogst scorende leerlingen, niveau B de 25 % leerlingen die net boven tot ruim boven het landelijk gemiddelde scoren, niveau C zijn de 25% leerlingen die net onder tot ruim onder het landelijk gemiddelde scoren, niveau D zijn de 15 % leerlingen die ruim onder het landelijk gemiddelde scoren en niveau E zijn de 10% laagst scorende leerlingen.
 
We toetsen de voortgang van de kinderen:
 
1. in vergelijking met zichzelf
2. in vergelijking met de andere kinderen in de klas en het leerjaar
3. in vergelijking met kinderen op andere scholen in Nederland.
 
Belangrijk voor de interpretatie is, of de vaardigheden en de kennis van uw kind een stijgende lijn vertonen. Dit geheel van toetsen wordt het CITO Volgsysteem primair onderwijs (LOVS) genoemd.


6.2.1    Doel van het toetsen
Met behulp van de CITO toetsen worden de resultaten van uw kind met de landelijke norm vergeleken. Dit heeft een signaleringsfunctie voor de leerprestaties van uw kind. Dit kan samen met de observaties van de leerkracht aanleiding zijn om uw kind in de komende periode extra te gaan observeren, begeleiden, extra oefenstof aan te bieden of om een nader onderzoek in te stellen.
 
Binnen de bouw-zorgvergaderingen die twee keer per maand plaatsvinden, worden afspraken, methodieken en schoolontwikkelingen besproken, die samenhangen met de leerlingenzorg. Tijdens deze vergaderingen maken leerkrachten gebruik van elkaars ervaringen en deskundigheid.
 
6.2.2    Opbrengstgericht werken
Na de toetsperiode worden zogenaamde Opbrengstenvergaderingen gehouden.Tijdens deze Opbrengstenvergadering worden de opbrengsten van de toetsen per leerjaar of bouw besproken. Er wordt gekeken hoe de resultaten van de groepen zijn in vergelijking met het landelijk gemiddelde en wat hiervoor een verklaring kan zijn. Het doel van deze opbrengstenvergadering is om kritisch naar onze eigen opbrengsten te kijken en actiepunten op te stellen om het onderwijs te verbeteren.
Op groepsniveau wordt er gekeken hoe er aan de onderwijsbehoefte van de groep, van een groepje of van een leerling kan worden voldaan.
Op leerjaarniveau wordt gekeken of er verbeteringen ten aanzien van de leermethode, de leertijd of het leerkrachtgedrag ingevoerd moeten worden.
Op schoolniveau wordt door de intern begeleiders en het managementteam bekeken hoe het beleid kan worden aangescherpt. Hierbij kunt u denken aan: extra handen in de klas, vervanging van de methode, verandering binnen de organisatie e.d.

6.2.3    Video Interactie Begeleiding

Ter bevordering van de professionalisering van onze groepsleerkrachten zullen af en toe videobeelden worden gemaakt van onderwijssituaties in de groep. Met behulp van deze beelden wordt het onderwijs geanalyseerd en wordt samen met de leerkracht naar sterke- en verbeterpunten gezocht. Deze beelden worden enkel gebruikt voor intern gebruik met dit doeleinde. Mocht u toch bezwaar hebben, kunt u dit schriftelijk te kennen geven bij de intern begeleider of locatiedirecteur.

 6.3 Wie zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling van uw kind?
Naast de eerst verantwoordelijke personen, de ouders, zijn op school de leerkrachten verantwoordelijk voor het volgen van de ontwikkeling van de kinderen in de groep.
De leerkracht:
- stemt de didactiek en pedagogiek af op zijn groep;
- registreert de vorderingen van de kinderen en past het onderwijs waar mogelijk en noodzakelijk aan de behoefte van het kind aan;
- neemt deel aan alle leerlingbesprekingen en heeft de verantwoordelijkheid zorgen met betrekking tot kinderen in de klas te melden aan de intern begeleider;
- maakt handelingsplannen en rapporten;
- bespreekt de vorderingen van elk kind met de ouders tijdens de 10-minutengesprekken.
 
De intern begeleider (IB-er) is verantwoordelijk voor alles wat te maken heeft met de leerlingenzorg. Op onze school is voor elke bouw een intern begeleider aangesteld. De intern begeleider:
- plant alle toetsen van het schooljaar in op de toetskalender
- begeleidt leerkrachten met leerlingen met speciale zorg (observatie, advies, handelingsplannen)
- is verantwoordelijk voor de leerlingbesprekingen

- bezoekt de klassen om de doorgaande lijn op het gebied van
leerlingenzorg te bewaken en de leerkracht adequaat te kunnen adviseren
- voert (vaak samen met groepsleerkracht) oudergesprekken
- onderhoudt contacten met externe instanties en personen (schoolarts, logopedie, onderwijsbegeleidingsdienst, schoolmaatschappelijk werk e.d.)
De locatieleider en algemeen directeur zijn eindverantwoordelijk voor uw kind op onze school.


6.4 Rapportage
Twee keer per jaar brengen leerkrachten een schriftelijk verslag uit van de vorderingen van uw kind: eind januari/begin februari en aan het einde van het schooljaar (juni/juli).
De jongste kinderen (groep 1 en 2) krijgen een kort verslagje met daarbij het ontwikkelingsniveau van de kleuter op 10 afzonderlijke ontwikkelingsgebieden. Wanneer uw kind minder dan drie maanden op De Boomgaard zit, zal nog geen rapport worden gemaakt. Wel spreekt de groepsleerkracht graag een 10-minutengesprek met u af om de wenperiode op school te bespreken.
 
Als ouder wordt u 2 maal per jaar (in november en bij het eerste rapport in februari) uitgenodigd voor een gesprek op school om te praten over de vorderingen van uw kind. In november is er geen schriftelijk verslag, maar wel een mondelinge rapportage/gesprek.
Bij het tweede en laatste rapport aan het eind van het schooljaar kunnen zowel de leerkracht als de ouders het initiatief nemen tot een afsluitend gesprek. Deze gesprekken vinden plaats in de laatste weken van het schooljaar.
Afhankelijk van de behoefte en de noodzaak kan natuurlijk van beide kanten (ouders en school) gedurende het hele schooljaar het initiatief genomen worden voor een extra gesprek.


6.5 Hulp binnen de school
Minimaal twee keer per jaar bespreekt de intern begeleider samen met de leerkracht de ontwikkeling van de kinderen, per groep door. Deze leerlingbesprekingen worden aan het begin van het schooljaar voor alle groepen ingeroosterd. De leerkracht levert van te voren haar/zijn hulpvragen in, zodat de intern begeleider tijdens een klassenbezoek de aangemelde leerlingen gericht kan observeren. Tijdens de leerlingbespreking worden de hulpvragen beantwoord en wordt besproken hoe de leerlingen in de komende periode optimaal begeleid kunnen worden.
Bij specifieke leer-en gedragsproblemen, kunt u altijd een beroep doen op de intern begeleiders, die per bouw (onder-, midden- en bovenbouw), de zorg binnen school coördineren. Zij voeren, vaak met leerkrachten, oudergesprekken, regelen toetsprocedures en onderhouden contacten met diverse hulpverlenende instanties.

 
6.6 Het volgen van de ontwikkeling kan leiden tot extra begeleiding

Wanneer uw kind gedurende langere tijd behoefte heeft aan extra hulp, stellen leerkrachten een handelingsplan op. In dit plan staat onder andere beschreven welke hulp uw kind in de komende periode gaat krijgen, hoe deze hulp georganiseerd wordt en wanneer deze hulp geëvalueerd gaat worden. Deze handelingsplannen worden onder verantwoordelijkheid van de eigen leerkracht in de klas uitgevoerd. De resultaten van de methodengebonden toetsen en de CITO-toetsen helpen ons bij het opstellen van deze plannen. Om kinderen met een vergelijkbare speciale begeleiding in de klas goed te kunnen begeleiden, worden de individuele handelingsplannen zo veel mogelijk gebundeld in groepsplannen. De leerkrachten informeren u wanneer er gestart gaat worden met het plan en waar de hulp uit bestaat. Indien gewenst lichten wij het plan graag mondeling toe en na afloop van het plan worden ouders geinformeerd over de resultaten. Indien nodig, maar altijd in overleg met ouders, maken we gebruik van de expertise van instanties buiten de school, bijvoorbeeld de Onderwijsbegeleidingsdienst Eduniek of Ambulant Begeleiders van het Zorgplatform en Speciaal Onderwijs.
Indien blijkt dat een kind ondanks individuele begeleiding nauwelijks profiteert van extra hulp, de problemen steeds hardnekkiger worden of dat de problematiek dermate ernstig is dat een gespecialiseerd onderzoek nodig is, wordt de leerling, na toestemming van de ouders/verzorgers,  aangemeld voor een individueel psychologisch onderzoek. Dit kan worden uitgevoerd door de Onderwijsbegeleidingsdienst Eduniek. Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van handelingsadviezen, zodat een kind beter begeleid kan worden binnen het onderwijs. De verkregen handelingsadviezen worden gebruikt om actie te ondernemen: er wordt een nieuw of aangepast handelingsplan geschreven, er wordt hulpverlening opgestart e.d.
De mogelijkheid om leerlingen door de onderwijsbegeleidingsdienst op school te laten onderzoeken, is gebonden aan het onderzoeksbudget van de school. Daarnaast zijn er in de regio verschillende onderzoeksbureaus waar uw kind onderzocht kan worden. Dit onderzoek en soms ook de behandeling wordt meestal vergoed door uw zorgverzekering. Voor adressen kunt u terecht bij de intern begeleider.
 
6.7 Verrijking en Verrijkingsklas

Als kinderen erg gemakkelijk leren en veel meer uitdaging nodig hebben, kunnen we spreken van (hoog)begaafdheid. Bij kleuters noemen we dit een ontwikkelingsvoorsprong. Kinderen die (hoog) begaafd zijn, of waarvan wij dat vermoeden,  krijgen extra ondersteuning en uitdaging om zich binnen hun mogelijkheden optimaal te kunnen ontwikkelen. Indien een begaafde leerling meer
uitdaging nodig heeft, wordt er (soms in overleg met de leerkracht van de verrijkingsklas), verrijkingsmateriaal in de klas aangeboden. De taken bij rekenen en taal kunnen tot een minimumprogramma gecompact worden en de vrijgekomen tijd wordt besteed aan het maken van dit verrijkingsmateriaal.
Indien een (hoog) begaafd kind  in de klas met een aangepaste weektaak werkt (het zogenaamde compacten en verrijken van de leerstof), maar desondanks nog meer uitdaging nodig heeft, kan hij/zij  gedurende een dagdeel per week in een groep met leeftijdsgenoten, extra uitdaging krijgen door plaatsing in de Verrijkingsklas. De kinderen krijgen hier extra uitdagende, andere leerstof aangereikt en krijgen opdrachten mee, die ze binnen de klas gedurende de week moeten maken. Om in aanmerking te komen voor deze Verrijkingsklas, wordt de procedure Verrijkingsklas opgestart waarvoor leerkrachten en ouders diagnostische lijsten van  het digitale handelingsprotocol hoogbegaafdheid invullen. Ook is er sprake van een proefperiode voordat er een definitief besluit over de plaatsing wordt genomen.


6.8 Leesbegeleiding buiten de klas
Indien een leerling meer of specifieke leeshulp nodig heeft, dan de leerkracht binnen de groepssituatie kan realiseren, wordt een leerling aangemeld voor leesbegeleiding. Om in aanmerking te komen voor deze leesbegeleiding buiten de klas zijn er criteria opgesteld: kinderen in groep 3, 4 en 5 moeten minimaal een half jaar achterstand hebben op woord- of zinsniveau. In de groepen 6 t/m 8 moeten de kinderen minimaal een half jaar achterstand hebben op woord- en zinsniveau of moeten in het bezit zijn van een dyslexieverklaring. De leesbegeleiders begeleiden leerlingen met leesproblemen en dyslexie en verrichten waar nodig didactisch onderzoek naar de lees-en/of spellingproblemen. De leesbegeleider geeft op verzoek van de leerkracht voorlichting aan de ouders/verzorgers over de ontwikkeling van hun kind in de leesbegeleiding. De leesbegeleider stelt voor elke leerling in de leesbegeleiding een handelingsplan op, dat zij weer evalueert en bijstelt met nieuwe doelen. De leerkracht vult hierbij aan wat er in de groep gebeurt en bespreekt met de ouders welke hulp er thuis kan worden gegeven. Dit wordt door de leerkracht in het plan vermeld. Van alle kinderen in de leesbegeleiding wordt een dossier aangelegd, waarin handelingsplannen en onderzoeksgegevens worden bewaard. Leerlingen die in de leesbegeleiding komen, krijgen twee keer per week twintig minuten extra hulp buiten de groep. Deze leesbegeleiding vindt niet individueel plaats, maar in een groepje van maximaal 4 kinderen. Er wordt gewerkt volgens het landelijk Protocol Leesproblemen en Dyslexie.
 
Vanaf 1 januari 2009 zijn het onderzoek naar en de behandeling van ernstige dyslexie opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering. Vergoeding van het onderzoek naar dyslexie en de behandeling ervan is, onder bepaalde voorwaarden, mogelijk. Deze nieuwe vergoedingsregeling geldt voor leerlingen die geboren zijn na 1 januari 2000. Leerlingen die voor deze datum geboren zijn, vallen buiten de regeling. De vergoedingsregeling is bedoeld voor leerlingen met ernstige enkelvoudige dyslexie. Dit betekent dat er bij een kind geen sprake mag zijn van andere problemen, waardoor het leren minder goed verloopt. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan ADHD.
 
Om voor vergoeding in aanmerking te komen moet op school een aantal stappen worden doorlopen. Wanneer een leerling, o.a. 15 tot 20 weken leesbegeleiding buiten de groep heeft gehad en dit niet voldoende resultaat heeft opgeleverd, kan het vermoeden ontstaan dat er sprake is van dyslexie. Het gaat hierbij dus om een kind
dat langdurig zeer zwakke resultaten heeft behaald op de toetsen (dwz op minimaal drie meetmomenten E-scores op de door het CITO leerlingvolgsysteem genormeerde toetsen en een leerrendement van ongeveer 50% of minder). De kinderen met leesproblemen worden zorgvuldig in hun ontwikkeling en begeleiding gevolgd. Samen met de ouders kunnen we beslissen of en wanneer een kind in aanmerking komt voor doorverwijzing voor onderzoek. Daarvoor is een verwijzing van huisarts of schoolarts noodzakelijk.
 
Indien uw kind buiten de nieuwe regeling valt, omdat uw kind voor 1 januari 2000 geboren is en/of dat er sprake is van meervoudige problematiek, wordt in overleg met de ouders/verzorgers besproken of er een noodzakelijkheid is om de leerling toch te laten onderzoeken. Binnen onze school is er in sommige gevallen mogelijkheid om leerlingen door de onderwijsbegeleidingsdienst te laten onderzoeken, maar dit is gebonden aan het onderzoeksbudget van de school.


6.9    Externe contacten
GG&GD
De GG&GD verzorgt de screening door de schoolarts en de logopedist. De logopediste verricht jaarlijks een screening bij de oudste kleuters.
De schoolarts nodigt eveneens elk jaar alle oudste kleuters uit.
In groep 6 worden de kinderen opgeroepen door de jeugdverpleegkundige.
De GG & GD verzorgt voor ons de weerbaarheidtraining voor jongens en meisjes in groep 7: Kom op voor jezelf. Op projectbasis kunnen wij Indigo inhuren voor een speciale training voor kinderen, zoals SOVA (Sociale Vaardigheidstraining) of Alles Kidzz
 
Op De Boomgaard wordt gewerkt volgens het basismodel meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit stappenplan voor het handelen bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling, kunt u op school inzien.
 
 Schoolmaatschappelijk Werk
Op onze school is maatschappelijk werk, op een vast dagdeel op beide locaties, aanwezig. Soms lopen ouders en kinderen rond met problemen waar ze graag over willen praten of hulp bij willen hebben. Praten met een schoolmaatschappelijk werker kan dan een goede oplossing zijn. De schoolmaatschappelijk werker is er om hulp te bieden bij verschillende problemen van kinderen en/of hun ouders, zoals bijvoorbeeld vragen over opvoedingsproblemen of de ontwikkeling van hun kind. Ook kunnen vervelende zaken in de thuissituatie de oorzaak zijn van problemen waar ouders en een kind last van hebben. De schoolmaatschappelijk werker voert gesprekken op school met kinderen en ouder(s). Als het nodig is, wordt er doorverwezen naar andere hulpverleningsinstanties voor verdere hulp en advies. Een eerste gesprek van een kind met de schoolmaatschappelijk werker, mag zonder toestemming van de ouders plaatsvinden. Bij meerdere gesprekken, is schriftelijk toestemming nodig van de ouders. Naast hulp aan ouders en kinderen kan de schoolmaatschappelijk werker ondersteuning bieden aan leerkrachten en andere beroepskrachten die met uw kind werken. Als ouders of leerkrachten een schoolmaatschappelijk werker als ondersteuning bij een gesprek willen hebben, is dit altijd mogelijk. U kunt rechtstreeks contact opnemen met de schoolmaatschappelijk werker (zie hoofdstuk 8 voor het adres) of aan de intern begeleider laten weten dat u een afspraak wilt maken. De contactgegevens van de schoolmaatschappelijk werker staan ook op de website.
 
Verwijsindex

Onze school werkt met de Verwijsindex. De Verwijsindex ondersteunt de samenwerking tussen de verschillende medewerkers van verschillende instanties bij vroegtijdige signalering van jeugdigen (0-23 jaar) die worden belemmerd in hun ontwikkeling tot volwassene. De landelijke Verwijsindex is door de gemeente Utrecht ingevoerd, waarbij partners van het Onderwijs, Jeugdzorg, Leerplicht, Politie, Justitie en Werk&Inkomen samenwerken. Het doel van de Verwijsindex is om de betrokkenen rondom de jeugdige elkaar in een vroeg stadium te laten vinden opdat tijdige, gezamenlijke, afgestemde zorg kan plaatsvinden.


6.10 Discretie  
De gegevens van elke leerling worden bijeengebracht in een dossiermap en zorgvuldig bijgehouden. Gevoelige informatie, zoals onderzoeken door hulpverleners en verslagen van gesprekken met ouders worden door de intern begeleiders beheerd en zitten ook achter slot en grendel. Ze mogen alleen worden bekeken door de intern begeleiders, betrokken leerkrachten en de directie. U hebt als ouder(s)/verzorger(s) altijd inzagerecht. Vijf jaar nadat een kind de school heeft verlaten, wordt het dossier vernietigd. Op dit moment werken wij aan het digitaliseren van de schooldossiers.

6.11 Speciale zorg voor kinderen met specifieke behoeften
Onze school werkt samen in een groot samenwerkingsverband van alle Protestants-christelijke scholen in de stad Utrecht.
Wanneer wij kinderen extra begeleiding willen bieden, doen we dat met inzet van de eigen leerkracht binnen de groep. De intern begeleider ondersteunt de leerkracht hierbij.
Indien wij echter meer ondersteuning en expertise nodig hebben om uw kind goed te kunnen begeleiden, kunnen wij een beroep doen op externe deskundigen (vanuit het Zorgplatform van het Protestants-christelijk samenwerkingsverband of het Speciaal Onderwijs).Deze Ambulante Begeleiders begeleiden leerkrachten bij de aanpak in de klas (bv. door het observeren van het kind in de groep, helpen bij het opstellen van een handelingsplan, het adviseren van gebruik van materialen). Het aanvragen van deze hulp gebeurt in overleg met de ouders.Voor het aanvragen van deze hulp is schriftelijk toestemming van de ouder(s) nodig en de ingevulde formulieren worden samen met de ouders besproken. Ouders worden door middel van gesprekken betrokken bij het opstellen van een plan van aanpak in de klas en de voortgang.
 
Indien er, ondanks intensieve begeleiding en externe hulpverlening, zorgen blijven bestaan over de ontwikkeling van een kind en de school handelingsverlegen is, wordt er samen met de ouders en deskundigen naar een oplossing gezocht. Hierbij kunt u denken aan het schrappen van onderdelen uit de leerstof of het volgen van een eigen leerlijn. Zo kan aan het einde van groep 5 worden besloten dat een kind van het klassikale programma wordt afgehaald en een eigen leerlijn voor een vak gaat volgen. Voorwaarde is, dat er voor dit kind een ontwikkelingsperspectief wordt opgesteld met een einddoel en tussen gelegen doelen voor de basisschool. Het ontwikkelingsprotocol wordt volgens een vaste procedure opgesteld. Een andere voorwaarde hierbij is, dat het volgen van een eigen leerlijn haalbaar is. Niet alleen nu, maar ook in de komende jaren.


 6.12 Overgaan, verlengde leertijd of vervroegde doorstroom
Niet alle kinderen zal het lukken de basisschool binnen 8 jaar af te ronden. Soms kan  in het belang van het kind worden gekozen om een jaar “over te doen”. Het aanbieden van deze extra leertijd is een zorgvuldige beslissing. Er wordt goed gekeken of een kind sociaal-emotioneel en qua ontwikkeling in staat is om door te stromen naar de volgende groep. Ook is het mogelijk dat een kind door een ontwikkelingsvoorsprong in sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling, juist vervroegd doorstroomt naar een volgende groep. Observaties, toetsgegevens en informatie van ouders en leerkrachten kunnen in gesprek met de intern begeleider tot deze beslissing leiden. De mening van de ouders is voor ons erg belangrijk, maar de directie beslist uiteindelijk.

6.13 Leerlinggebonden financiering
Sinds 1 augustus 2003 bestaat de “De Leerlinggebonden Financiering” of ook wel de regeling van het “Rugzakje”. De Wet op de Expertise Centra (WEC) maakt het ouders/verzorgers mogelijk om te onderzoeken of hun kind, ondanks een handicap, op een reguliere basisschool geplaatst kan worden door een leerling-gebonden financiering toe te kennen (het zogenaamde rugzakje). Het recht op de vrije onderwijskeuze van ouders/verzorgers betekent echter nog niet dat kinderen met een handicap automatisch op een reguliere basisschool geplaatst kunnen worden. Het REC (Regionaal Expertise Centrum) biedt ouders/verzorgers begeleiding in het traject van plaatsing in het reguliere onderwijs.
Indien voor een kind gedurende zijn basisschoolperiode een leerlinggebonden financiering wordt aangevraagd, is er op school al in een eerder stadium het Zorgplatform ingeschakeld. Het Zorgplatform moet deze aanvraag ondersteunen.
Indien de aanvraag tot een indicatiestelling leidt, kunnen ouders kiezen of zij gebruik willen maken van de leerlinggebonden financiering of dat zij hun kind inschrijven op het Speciaal Onderwijs. Indien ouders in samenspraak met de school kiezen voor een “rugzakje”, zal er een handelingsplan worden opgesteld en een ambulant begeleider worden toegekend. Deze ambulant begeleider zal de basisschool onderwijskundig begeleiden, gericht op de mogelijkheden van het kind, de ouders/verzorgers en de school. In het begeleidingsplan staan de doelstellingen van ambulante begeleiding, de frequentie en wijze van begeleiding en de evaluatiemomenten beschreven. Het geld uit het rugzakje zal worden ingezet om het bovenstaande ook echt mogelijk te maken.
 
Te denken valt aan:

  • Extra personeel om individueel hulp te bieden;
  • Extra begeleiding en ondersteuning van de groepsleerkracht(en);
  • Extra materialen en/of speciale hulpmiddelen;
  • Extra aanpassingen aan het meubilair of het gebouw;
 
Het bevoegd gezag (directeur) heeft het recht een “leerling met een Rugzakje” niet toe te laten op grond van de volgende overwegingen:
 

  • ouders/verzorgers respecteren dan wel onderschrijven de grondslag van de school niet;
  • er is sprake van verstoring van rust en veiligheid;
  • de interferentie verzorging/ behandeling versus onderwijs;
  • de verstoring van het leerproces voor andere kinderen;
  • gebrek aan opnamecapaciteit.
 
Het besluit een “leerling met een Rugzakje” niet toe te laten wordt door het bevoegd gezag voorzien van een schriftelijke onderbouwing, af te leiden uit het handelingsplan en het handelingscontract, dat is opgesteld door de onderwijsconsulent / ambulant begeleider van het betreffende REC cluster (Regionaal Expertise Centrum) in samenspraak met de ouders/verzorgers en de school. De regeling valt onder de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB). Het bevoegd gezag verwijst in de schriftelijke onderbouwing naar de aangewezen beroepscommissie.


6.14 Grenzen aan de zorg
Soms moet er worden besloten dat wij het kind niet kunnen bieden wat hij/zij nodig heeft en wij handelingsverlegen zijn. Extra hulp door middel van handelingsplannen, individueel psychologisch onderzoek met begeleidingsadviezen, hulpverlening van externe instanties (bv logopedie), verlengde leertijd en inschakeling van het Zorgplatform e.d. heeft niet tot het gewenste effect geleid. In dat geval kan er gezocht worden naar een basisschool die deze expertise wel kan bieden. In het uiterste geval moet er een procedure in gang worden gezet om een kind door te verwijzen naar het Speciaal (Basis) Onderwijs. Als er in overleg met de ouders toch naar een andere school moet worden verwezen, beslist de Permanente Commissie Leerlingenzorg, op grond van alle informatie van ouders en school, of het kind kan worden toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs (SBO),waarna de ouders het kunnen aanmelden. Die verwijzing kan ook tijdelijk zijn: soms kan een kind vanuit het SBO met succes teruggeplaatst worden op een gewone basisschool.
Gaat het om kinderen met een visuele handicap, langdurige ziekte, een ernstige spraak-taalstoornis, een kind met een mytyl of tytyle handicap of een kind met  psychiatrische problematiek/ gedragsproblemen, dan zorgt de Commissie van Indicatiestelling van het Regionaal Expertise Centrum voor de verwijzing.
 
Nog onbekend is wanneer de wet op het Passend Onderwijs in werking treedt. Dit betekent dat, als een kind niet op De Boomgaard begeleidt kan worden, wij binnen ons bestuur op zoek gaan naar een school die dit wel kan bieden. Scholen hebben een zorgplicht, maar geen plaatsingsplicht.
 
In zeer uitzonderlijke gevallen, wanneer alle andere mogelijke vormen van maatregelen niet het gewenste effect hebben gehad, is de directeur bevoegd om een schorsings- en verwijderingsprocedure in gang te zetten. Inzage in deze schorsings-en verwijderingsprocedure is bij de directie mogelijk.
 

6.15 De overgang naar het Voortgezet Onderwijs
Bij de bespreking van het eindrapport in groep 7 wordt een voorlopig schooladvies gegeven door de leerkrachten van groep 7. Dit voorlopig advies is gebaseerd op de schoolresultaten (methodengebonden toetsen en CITO leerlingvolgsysteemtoetsen) en de CITO Entreetoets van groep 7. Bij verschil van mening tussen leerkrachten en ouders is er op dat moment nog tijd om op één lijn te komen. Bij de overdracht van groep 7 naar groep 8 is dit eerste advies onderwerp van gesprek. In groep 8 wordt er in november een proef CITO-toets afgenomen, nl. de toets van het jaar daarvoor. Twee weken later volgen er voorlopig adviesgesprekken. Het voorlopig advies is nu gebaseerd op de gegevens afkomstig van groep 7 en de nieuwe gegevens van groep 8. Van september tot februari wordt met de leerlingen gesproken over verwachtingen en wensen ten aanzien van het vervolgonderwijs. Leidraad hierbij zijn de “Utrechtse Keuzelessen”. In februari vindt de CITO Eindtoets plaats. Deze toets geeft een onafhankelijk oordeel over het niveau van de leerlingen. Het resultaat hiervan wordt meegewogen in het definitieve schooladvies. Dit advies, dat met ouders en de kinderen wordt besproken tijdens het defintieve adviesgesprek, is verder gebaseerd op de observaties van de leerkracht en de resultaten in groep 8, en de observaties en resultaten uit voorgaande jaren. Dit advies is niet onderhandelbaar. Voor de instellingen voor het  Voortgezet Onderwijs is het advies van De Boomgaard van groot belang. Bij het tot stand komen van het schooladvies is altijd de intern begeleider betrokken. Na de definitieve adviesgesprekken, waarin de ondertekening van het RAAD aanmeldingsformulier plaatsvindt, worden deze door ons verzonden en vinden er overdrachtsgesprekken plaats tussen de leerkracht van groep 8 en de brugklascoördinatoren.
De laatstgenoemden brengen aan het eind van het brugklasjaar rapport uit over de prestaties van elk van onze leerlingen. Ook de jaren hierna worden de rapportcijfers van onze leerlingen aan ons toegestuurd. Zo kunnen we nagaan of de door ons gegeven adviezen overeenkomen met de prestaties van onze oud-leerlingen in het Voortgezet Onderwijs.